Stel je voor: je bent onderzoeker, je hebt geweldige data, briljante plannen — maar je mist de digitale infrastructuur om het allemaal te delen, te bewaren en reproduceerbaar te maken. Dan komt de grote vraag: wie betaalt dat eigenlijk? In Nederland? In Europa? Of allebei?
▶Inhoudsopgave
Want open science — onderzoek dat transparant, toegankelijk en herbruikbaar is — staat of valt met goede infrastructuur.
En die infrastructuur kost geld. Veel geld. Dit artikel neemt je mee in de wereld van nationale en Europese financiering voor open science infrastructuur. Wat waar voor wie betaalt, wat de voor- en nadelen zijn, en hoe Nederland daar precies in staat.
Waarom open science infrastructuur zo belangrijk is
Open science draait om meer dan alleen gratis toegang tot artikelen. Het gaat om FAIR data (vindbaar, toegankelijk, uitwisselbaar en herbruikbaar), open software, reproduceerbaar onderzoek en samenwerking over grenzen heen.
Maar zonder de juiste digitale tools, opslag, rekenkracht en ondersteuning valt dat allemaal uit elkaar. Denk aan cloudplatforms voor grote datasets, software voor data-analyse, repositories voor publicaties en netwerken waar onderzoekers kennis delen. Die infrastructuur moet gebouwd, onderhouden en geschaald worden — en dat vraagt om structurele financiering. Niet één keer, maar blijvend.
Nationale financiering: Nederland investeert zelf
In Nederland speelt de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) een centrale rol in het financieren van open science.
Ze doen dat via verschillende programma’s, waarvan het bekendste gericht is op de implementatie van Plan S — het Europese beleid dat vereist dat publiek gefinancierd onderzoek direct open access wordt gepubliceerd. In 2023 besteedde NWO ongeveer 75 miljoen euro aan open science initiatieven. Daarvan ging een deel naar het programma ‘Open Science Data’, met een specifiek budget van 15 miljoen euro. Dat geld gaat naar projecten die data-infrastructuur ontwikkelen, data-management tools verbeteren en platforms bouwen voor het delen van onderzoeksdata.
Daarnaast steunt NWO open access publicatiekosten en projecten die gebruikmaken van open data voor nieuwe ontdekkingen. Het voordeel van nationale financiering?
Het is snel, flexibel en afgestemd op wat Nederlandse onderzoekers écht nodig hebben.
Er is directe communicatie met de wetenschappelijke gemeenschap, en beslissingen worden niet geblokkeerd door Europese bureaucratie. Maar er zit een limiet aan: het budget is beperkt, en grote, langetermijninfrastructuurprojecten zijn lastig te financieren met alleen nationale middelen.
Europese financiering: schaal, samenwerking en standaarden
Dan hebben we de Europese Unie. Met Horizon Europe — het grootste onderzoeks- en innovatieprogramma ter wereld — investeert de EU massaal in open science. Het totale budget voor Horizon Europe loopt van 2021 tot 2027 en bedraagt maar liefst 95,5 miljard euro.
Een aanzienlijk deel daarvan gaat naar digitale infrastructuur, data-uitwisseling en ondersteuning vanuit het Nationaal Programma Open Science.
Een belijk instrument daarbij is het European Research Infrastructure Consortium (ERIC). ERICs zijn juridisch erkende Europese organisaties die toegang bieden tot geavanceerde onderzoeksinfrastructuur — denk aan supercomputers, biobanken of klimaatobservatoria.
Momenteel zijn er 16 ERICs actief in Europa, en de EU financiert hen voor een geschat bedrag van 3,5 miljard euro tussen 2021 en 2027. Daarnaast steunt de EU grootschalige projecten via netwerken zoals EIRAN (European Infrastructure Network for Accessible Research Data), met nog eens 1,5 miljard euro aan investeringen. Het grote pluspunt van Europese financiering? Schaal.
Je kunt infrastructuur bouwen die heel Europa bedient, standaarden ontwikkelen die overal werken, en samenwerking stimuleren tussen landen.
Maar het nadeel is duidelijk: minder flexibiliteit, meer administratie, en projecten moeten voldoen aan strenge EU-eisen. Voor een klein land als Nederland kan het lastig zijn om die Europese fondsen effectief aan te trekken en te combineren met nationale prioriteiten.
Nationale vs. Europese financiering: wat past waar?
Laten we het even helder op een rijtje zetten. Nationale financiering — via NWO — is ideaal voor projecten die snel moeten starten, lokaal relevant zijn, of experimenteel van aard.
Denk aan pilots voor nieuwe data-tools of trainingen voor onderzoekers. Europese financiering is beter geschikt voor infrastructuur die grensoverschrijdend moet werken, zoals grote datanetwerks of pan-Europese onderzoeksplatforms. De budgetten verschillen enorm: NWO besteedt jaarlijks tientallen miljoenen, terwijl de EU miljarden injecteert.
Maar geld is niet alles. Nationale financiering biedt snelheid en maatwerk; Europese financiering biedt reikwijdte en standaardisatie. Het is geen ‘of-of’, maar een ‘en-en’.
Samenwerking is de sleutel tot succes
Het mooiste is dat beide financieringsstromen elkaar kunnen versterken. Nederlandse onderzoekers gebruiken bijvoorbeeld Europese ERIC-infrastructuur, terwijl NWO hen financieel ondersteunt om daar aan deel te nemen.
De Europese Commissie moedigt dit soort samenwerking actief aan en biedt fondsen voor gezamenlijke projecten. De toekomst van open science infrastructuur hangt af van slimme combinaties: nationale middelen voor innovatie en snelheid, Europese middelen voor schaal en duurzaamheid. En bovenal: blijvende investeringen via passende subsidie-instrumenten voor open science.
Want infrastructuur veroudert, technologie verandert, en onderzoekers hebben altijd meer nodig dan vandaag.
Alleen met een gezamenlijke inspanning — van Nederland én Europa — kan open science echt zijn potentieel bereiken, zeker als we kijken naar de verschillende open science beleidskeuzes.