Twee topuniversiteiten, één gemeenschappelijke missie: open science. Maar hoe pakken de TU Delft en de Universiteit van Amsterdam dat eigenlijk aan?
▶Inhoudsopgave
Want laten we eerlijk zijn — "open science" klinkt mooi, maar het verschil zit hem in de details. In de cijfers. In de prioriteiten.
In wat je als onderzoeker écht kan verwachten. Duik met ons mee in de open science strategieën van deze twee Nederlandse pioniers, en ontdek wie waar in 2026 voorop loopt.
Waar staan we nu? De stand van zaken in 2024
Open science is geen modemeer. Het is een fundamentele verschuiving in hoe we onderzoek doen, delen en toegankelijk maken.
TU Delft: Waar data koning is
In 2024 hebben zowel de TU Delft als de UvA serieuze stappen gezet. Maar hun aanpak? Die verschilt behoorlijk.
De TU Delft, met haar technologische DNA, kozen voor een data-gedreven benadering. De UvA, met haar brede academische traditie, legt meer nadruk op open access publicaties en maatschappelijke impact. Laten we eens kijken wat dat concreet betekent.
De TU Delft publiceerde in 2024 haar Open Science Strategie 2024–2028, en het is geen geheim dat data centraal staat. Denk aan FAIR-data — vindbaar, toegankelijk, uitwisselbaar en herbruikbaar — en aan concrete investeringen.
Zo investeerde de universiteit datzelfde jaar maar liefst €1,5 miljoen in DelftData, hun uitgebreide dataopslagsysteem. Meer capaciteit, betere prestaties, en een stevig platform voor onderzoekers om hun data te beheren en delen. Maar de TU Delft denkt niet alleen in hokjes. De samenwerking met industriële partners zoals DSM en Philips zorgt ervoor dat onderzoeksdata ook écht impact hebben buiten de universiteit.
Het project Industry Open Data is daar een sprekend voorbeeld van: onderzoeksdata wordt open gedeeld met bedrijven om innovatie te stimuleren.
En wat open access betreft? De TU Delft streeft ernaar om in 2028 80% van haar publicaties open access te publiceren. In 2026 verwachten we dat percentage al rond de 90% te liggen.
Universiteit van Amsterdam: Open access als motor voor impact
Daarnaast opent de TU Delft in 2026 een Data Science Center, gericht op het versterken van data science expertise binnen de universiteit. De totale investering in data infrastructuur loopt dan op naar €3 miljoen.
Kortom: als je in Delft onderzoek doet, ben je omringd door tools, trainingen en een cultuur die data delen normaal vindt. De UvA koos voor een andere weg. In 2024 nam zij haar Open Science Charter aan, met een duidelijke focus op open access publicaties en de maatschappelijke relevantie van onderzoek.
De universiteit heeft een verplichte Open Access Policy: onderzoekers publiceren open access, tenzij er goede redenen zijn om dat niet te doen. En dan het geld.
De UvA richtte een Open Access Fund op met een jaarlijks budget van €2 miljoen — in 2026 is dat uitgegroeid naar €3 miljoen.
Dit budget helpt onderzoekers om de kosten van open access publicaties te dekken. Daarnaast investeert de UvA in het Amsterdam Data Repository (ADR), een platform waar onderzoekers data veilig kunnen opslaan en delen volgens de FAIR-principes. Maar de UvA gaat verder dan alleen publicaties.
In 2026 opent de universiteit een Open Science Office, een centraal punt waar onderzoekers terecht kunnen voor ondersteuning bij open science vragen. Er komt ook een Open Science Impact Assessment framework, om te meten hoe effectief open science-initiatieven écht zijn. De doelstelling? In 2026 moet 85% van de publicaties open access zijn, en 60% van de onderzoekers moeten in 2028 vertrouwd zijn met de ambities uit het Nationale Programma Open Science.
De grote lijnen: verschillen en overeenkomsten
Wat valt op als je beide universiteiten naast elkaar legt? De TU Delft is de data-universiteit.
Haar kracht ligt in infrastructuur, technologie en samenwerking met de industrie. De UvA is de impact-universiteit.
Zij richt zich op open access publicaties, maatschappelijke relevantie en het ondersteunen van onderzoekers bij de transitie naar open science. Toch zijn er ook overeenkomsten. Beide universiteiten werken actief aan de implementatie van PlanS en de FAIR-data principes.
Beide investeren in trainingen en ondersteuning voor onderzoekers. En beide hebben zich gecommitteerd aan een toekomskopend open science beleid, met concrete doelstellingen voor 2026 en daarna. Een belangrijk verschil is de manier waarop de nationale en Europese financiering voor open science is georganiseerd. De TU Delft haalt een deel van haar open science financiering uit onderzoekssubsidies, terwijl de UvA primair gebruik maakt van een speciaal Open Access Fund.
Financiering: twee modellen, één doel
Beide modellen hebben hun voordelen. Het industriële netwerk van de TU Delft zorgt voor externe financiering en praktische toepasseling.
Het fonds van de UvA biedt stabiliteit en zorgt ervoor dat onderzoekers niet worden beperkt door publicatiekosten.
Wat betekent dit voor jou als onderzoeker?
Of je nu werkt aan de TU Delft of de UvA: open science is geen optie meer, het is standaard. In Delft word je omringd door data tools, trainingen en een cultuur die open delen stimuleert.
In Amsterdam krijg je financiële ondersteuning, een centrale helpdesk en een framework om de impact van je werk te meten.
De boodschap is duidelijk: Nederlandse universiteiten nemen open science serieus. En in 2026 is het verschil tussen "goed bedoelen" en "écht doen" zo groot als ooit. De TU Delft en de UvA laten zien dat er niet één juiste weg is — maar dat elke weg begint met transparantie, toegankelijkheid en samenwerking.
Dus, waar ga jij je data naartoe? Naar DelftData? Naar het Amsterdam Data Repository? Of gewoon naar de wereld? Want dat is uiteindelijk wat open science draait om: kennis vrij maken. Voor iedereen.